De innerlijke strijd van de narcist
Hij zegt dat zijn leven niet verschrikkelijk is.
En toch voelt hij zich al zijn hele bestaan anders dan de rest.
Alsof hij naast het leven loopt in plaats van erin.
Alsof hij kijkt door een ruit die niemand anders ziet.
Hij denkt vaak dat niemand hem echt kan begrijpen.
Dat zijn pijn uniek is.
Dat zijn last niet benoemd kan worden met gewone woorden.
Soms hoort hij zichzelf praten en gelooft hij het half.
Soms kijkt hij naar de stilte na zijn woorden en gelooft hij het helemaal.
Dan wordt het donker in hem, en donker blijft het vaak.
Hij gelooft dat je maar één leven krijgt.
Dat dit de kaarten zijn die hij in handen heeft.
Misbruik.
Verwaarlozing.
Of een leegte zonder naam.
Hij heeft de draad van liefde nooit gevonden en sindsdien bouwde hij er een ander koord voor in de plaats.
Sterk van buiten.
Dun vanbinnen.
Hij probeert zichzelf te overtuigen dat het beter is zo.
Dat grootheid troost biedt waar nabijheid altijd faalde.
Dat het veiliger is om te imponeren dan om te voelen.
Soms denkt hij zelfs dat hij een nieuw soort mens is.
Eentje dat boven de zwakte van gewone emoties staat.
Eentje dat vooruitloopt op de rest.
Hij glimlacht bij die gedachte.
De glimlach raakt zijn ogen niet.
Hij weet dat hij liefheeft op een manier die niet klopt.
Te hard.
Te hoekig.
Te veel gericht op zichzelf.
Hij is jaloers op mensen die in een kamer kunnen staan zonder te scannen.
Die niet voortdurend peilen wat de anderen zien, denken, willen.
Die kunnen zakken in hun eigen lichaam en daar rust vinden.
Voor hem voelt rust als een vijand.
Stilte is geen stilte.
Stilte is een alarm.
Hij noemt het zijn glazen doos.
Een kleinere kamer in de kamer.
Mensen bewegen om hem heen, hun stemmen gedempt, hun gezichten vervormd door het glas.
Hij ziet de wereld haarscherp, maar niemand raakt hem.
Hij tikt soms met zijn knokkels tegen de ruit.
Luister, wil hij zeggen.
Zie mij, wil hij roepen.
Maar de klank keert op hemzelf terug.
Hij is de echo van zijn eigen stem.
Hij weet dat hij goed kan kijken.
Hij leest micro-uitdrukkingen.
Hij spreekt de juiste zin op het juiste moment.
Hij ziet waar anderen willen dat hij kijkt en richt zijn licht precies daar.
Daardoor voelt hij zich soms superieur.
Alsof hij boven het spel hangt en aan de touwtjes trekt.
Maar wat is een spel waard als je nooit mag meedoen.
Wat is macht waard als je niet kunt rusten in iemands hand.
Hij herinnert zich een beeld dat hij eens hoorde.
Een kasteel, zei iemand, met boogschutters op de muren.
Zij schoten op wie te dicht naderde.
Hij herkende zichzelf in dat verhaal.
Hij woont in zo’n kasteel.
Soms laat hij de ophaalbrug even zakken.
Hij loopt naar buiten.
Hij knikt naar de voorbijgangers.
Hij luistert.
Hij zegt het juiste.
En dan trekt iets in hem de ketting weer strak.
De brug klapt op.
De boogschutters nemen hun posities in.
Niemand heeft hem geraakt.
Niemand heeft hem verlaten.
Toch voelt hij het alsof het al gebeurd is.
Elke poging om de doos te verlaten bevestigt zijn oude gedachten.
Ik hoor hier niet.
Ik ben anders.
Ik ben veiliger achter glas.
En toch kan hij het glas niet haten.
Het glas is zijn huid geworden.
Hij zal niet zeggen dat dit het ergste is wat een mens kan overkomen.
Hij ziet de voordelen soms ook.
Zonder zijn pantser had hij nooit zo zeker de kamer binnen gestapt.
Nooit zo overtuigend gesproken.
Nooit zo feilloos aangewezen waar de macht lag.
Maar de voordelen liggen ver uit elkaar.
En de nacht ertussen is lang.
Hij denkt aan de zin van Dostojevski die hij ooit las.
Wat is lijden.
De hel is het lijden van niet te kunnen liefhebben.
De woorden blijven hangen.
Niet als poëzie.
Als diagnose.
Elke knuffel voelt leeg.
Alsof zijn armen het gebaar kennen, maar zijn borstkas niet mee doet.
Hij speelt rollen die hij zelf geschreven heeft.
Hij is regisseur en acteur tegelijk.
Tegen de avond is hij uitgeput van het oefenen.
Van het corrigeren.
Van het herhalen.
Relaties blijven niet.
Bruggen branden in stilte.
Hij zegt dat het aan de wind lag.
Dat de ander te veel vroeg.
Dat de ander te weinig gaf.
Maar in de rook ziet hij soms zijn eigen lucifer oplichten.
Het is een flits.
Hij knippert.
Hij vergeet.
Hij vraagt zich af wie hij had kunnen zijn.
Als het anders was begonnen.
Als de hand die hem vasthield wist hoe vasthouden moest.
Als het huis waarin hij groot werd het woord thuis kende.
Zou hij dan anders hebben liefgehad.
Zou hij dan rust hebben gevonden.
Zou hij dan geen glazen doos hebben gebouwd maar een tafel.
Met vier stoelen.
En koffie die warm blijft.
De wereld vraagt hem om normaal te zijn.
Hij probeert het.
Hij probeert het echt.
Hij tekent een kaart van menselijkheid en volgt de lijnen met zijn vinger.
Soms klopt het even.
Een lach.
Een blik.
Een zin die landt waar hij hem bedoeld had.
Dan schuift het papier een fractie en staat hij weer naast de route.
Van buiten lijkt het op koppigheid.
Op slechte beslissingen.
Op dramatiek.
Van binnen is het een coderingsfout die hij niet kan herschrijven.
De helft van de tijd wil hij niet eens doen wat hij doet.
Hij doet het toch.
Zijn hand beweegt sneller dan zijn wil.
Hij weet dat mensen hem verlaten.
Hij zegt dat zij altijd vertrekken.
En soms weet hij dat hij hen eerst heeft weggeduwd.
Met woorden als messen.
Met stiltes als sloten.
Met glimlachen die zeggen kom dichterbij en ogen die zeggen waag het niet.
Hij is niet alleen schuldig.
Hij is ook gevangen.
Dat is zijn tragiek.
Niet als excuus.
Als waarheid.
Hij is geprogrammeerd om te beschermen wat ooit klein en onbeschermd was.
Hij beschermt nog steeds.
Ook wanneer niemand meer schiet.
Ook wanneer de veldslag lang voorbij is.
Hij zegt dat niemand begrijpt hoe verontrustend het is om zo te leven.
Altijd overprikkeld.
Altijd op wacht.
Altijd op zoek naar bevestiging dat hij bestaat.
Hij wil het verlichten.
Hij zegt dat hij alles wil doen om het te verlichten.
Maar verlichting vraagt dat hij het pantser zachter maakt.
En zachter voelt als sterven.
Soms, heel soms, maakt hij een kiertje in de ruit.
Hij ademt lucht die niet gefilterd is door zijn eigen systeem.
Iemand lacht.
Iemand vertelt iets dat niet over hem gaat.
Iets kleins.
Een herinnering aan nat gras en blote voeten.
Hij luistert.
Hij merkt dat zijn borstkas beweegt zonder dat hij het stuurt.
Dan schrikt hij van de vrijheid en trekt hij het kiertje weer dicht.
Hij noemt het controle.
Een ander zou het angst noemen.
Er is een vraag die hij zelden hardop stelt.
Kan ik anders worden.
Niet groter.
Niet sterker.
Maar zachter.
Zou ik het overleven als ik de ophaalbrug langer liet zakken.
Zou ik alsnog verzuipen in de gracht.
Of blijkt er een pad.
Een houten plank over het water.
Smal.
Maar begaanbaar.
Hij weet dat er mensen zijn die zeggen dat hij niet kan veranderen.
Dat zijn kern te hard is geworden.
Dat liefde als taal te laat gekomen is.
Hij hoort het.
Hij vecht ertegen.
Hij geeft het gelijk.
En alles tegelijk.
Soms denkt hij dat de waarheid niet in het uiterste ligt.
Maar in de ruimte daartussen.
In de halve graden van beweging.
In een dag waarop hij één keer minder snauwt.
Eén keer meer zwijgt wanneer hij anders zou slaan met woorden.
Eén keer eerlijk zegt ik ben bang in plaats van jij bent fout.
Hij weet dat het niet vergoedt wat hij heeft aangericht.
Dat is het gif in zijn keel.
Hij kan de klok niet terugzetten.
Hij kan de verbrande bruggen niet herbouwen tot dezelfde brug.
Maar misschien kan hij een pont maken.
Iets dat heen en weer vaart.
Traag.
Betrouwbaar.
Hij fantaseert over dat woord.
Betrouwbaar.
Alsof hij het voor het eerst in zijn mond houdt.
Tot die dag blijft de glazen doos zijn huis.
Zijn troon.
Zijn cel.
Hij zit rechtop, kijkt scherp, beslist snel.
Van buiten ziet het eruit als zekerheid.
Van binnen is het een man die ademt door een rietje.
Die elke nacht in slaap valt naast zijn eigen echo.
Hij denkt aan het kind dat hij ooit was.
De kamer.
De deur.
De stappen in de gang.
Hij begrijpt ineens waarom hij muren bouwde.
Hij begrijpt ineens waarom hij nog steeds bouwt.
Hij legt zijn hand tegen de ruit.
Aan de andere kant zou iemand kunnen staan.
Iemand die niet redt.
Niet oplost.
Alleen blijft staan.
Hij vraagt zich af of dat genoeg is om het glas even minder koud te maken.
Dit is zijn leven, zegt hij.
De hel van niet kunnen liefhebben.
Maar zelfs in de hel bestaan openingen.
Kleine spleten waardoor licht kruipt.
Hij ziet ze soms.
Als hij niet te snel knippert.
Als hij niet meteen zijn boogschutters roept.
Licht dat niets vraagt.
Licht dat niets verovert.
Licht dat alleen maar is.
Misschien is dat de enige richting die hij heeft.
Niet de sprong.
De fractie.
Niet het grote gebaar.
Het minieme gebaar dat niet teruggeslagen wordt.
Een zin die eindigt zonder steek.
Een hand die niet grijpt maar rust.
Een blik die blijft wanneer de ophaalbrug kraakt.
Hij weet niet of hij het kan.
Hij weet wel dat hij moe is.
Moe van macht.
Moe van rollen.
Moe van glas.
Op een avond zet hij zijn telefoon op stil.
Hij opent het raam.
Geen speech.
Geen plan.
Alleen lucht.
Hij ademt.
Voor het eerst die dag voelt hij iets dat geen overwinning is.
Ook geen nederlaag.
Gewoon iets dat leeft.
Het is klein.
Maar het beweegt.
Hij blijft zitten tot het donker wordt.
Hij blijft zitten tot zijn boogschutters op hun knieën zakken van de wacht.
Misschien is dit niets.
Misschien is dit alles.
Opgesteld door Constantia de Gier, Narcisme België.
Strategische, psychologische en juridisch inzetbare begeleiding bij narcisme en hoog-conflict situaties.
Meer info en consultaties:
De Plotselinge Beëindiging van Relaties: Een Kenmerkend Gedrag van Narcisten